Jan Samuel Peijpers (1761- ? )
 

Over Samuel, zoals hij werd genoemd, is eigenlijk niet zo heel veel te vertellen, als uitsluitend wordt uitgegaan van hetgeen aan feiten in registers is gevonden. Vermeldingen in archieven zijn namelijk niet meer aangetroffen na maart 1783, toen hij als bijna tweentwintigjarige een attestatie als lidmaat haalde. Uiteraard staat het antwoord op de vraag wat er van hem geworden is nog altijd open. En dat is al ruim twintig jaar zo...

tekening Grote of Sint Janskerk 's-Hertogenbosch s.d.

Feiten:

Jan Samuel zag het levenslicht in 's Hertogenbosch. Hij werd er op 19 mei 1761 gedoopt in de Grote kerk, als zoon van Hendrik Peijpers en Maria Eisabeth Buschman. Hij was het zesde kind van dit echtpaar. De twee oudsten waren meisjes, de anderen jongens. Samuel was dus de vierde zoon op rij. Alle kinderen waren nog in leven, hetgeen voor die tijd niet z gewoon was. Vader Hendrik (veelal ook als Hendrick te boek), sinds oktober 1755 burger van de stad, had sinds 1758 een goede baan als (waarnemend) klerk van de Rentmeesters, de Commissarissen van Huwelijkse zaken en de Marktmeesters. Daarbij werd hij (waarnemend) klerk ter griffie. Hij kon -ogenschijnlijk- prima voor zijn gezin zorgen. Alles leek voorspoedig te verlopen, maar niets was minder waar...

Doopvont van de Nederduits-Gereformeerde gemeente
in de Grote of Sint Janskerk te 's-Hertogenbosch.

De gereformeerden maakten geen gebruik van de
aloude doopkapel met vont. Zij gaven in 1718 een
Amsterdamse koperslager opdracht om
voor 100 gulden een verplaatsbare
doopbekkenhouder te vervaardigen.

Nog geen anderhalf jaar na de geboorte van Samuel beviel moeder opnieuw van een zoontje. Het broertje werd op 26-09-1762 als Johannes Bernardus gedoopt, ook in de Grote kerk van 's-Hertogenbosch. Als er al blijdschap was, was die van zeer korte duur, want slechts vijf dagen later, op 1 oktober, stierf moeder Maria Elisabeth Buschman. Op een hoge baar en met 'een uur groot geluij' werd ze in de Grote of Sint Janskerk begraven. Misschien wel met haar jongste kind, want dat kreeg nergens enige vermelding meer...

Vader Hendrik had het al, maar kreeg het vervolgens heel moeilijk. Zijn baan als klerk viel hem zwaar. Gezien hetgeen in de Bossche Resolutin van Schout en Schepenen werd vastgelegd, werd hij kort na het begraven van zijn vrouw, nog in oktober 1762, op eigen verzoek aangesteld als turfdrager. Hij probeerde blijkbaar meer inkomsten te genereren om zijn gehavende gezin te onderhouden. In januari 1763 volgde nog zijn aanstelling tot rentmeester van de Gevangen Poort, maar op enig moment kon hij de slotrekening daarvan niet meer rondbreien en toen was de narigheid compleet. In mei 1765 hield hij het voor gezien.
Op 10-06-1765 schreef Hendrik aan het stadsbestuur en verhaalde hij in zijn brief over zijn slechte situatie, refereerde aan de problemen met de rekeningen van de Gevangen Poort en de daaruit voortvloeiende straf. Hij hoopte dat die nog uitgesteld kon worden. Tevens verzocht hij de Schepenen, Gezworenen en Raden (als "Opperweesvaderen") om opname van zijn kinderen in het Burger Weeshuis.
Het stadsbestuur ontving in juli 1765 opnieuw een schrijven van Hendrik, dit keer vanuit Zaltbommel. Zijn straf/ontheffing uit zijn functie(s) had hij niet afgewacht!  Hij meldde dat hij echt niet meer voor zijn kinderen kon zorgen en dat hij het advies had gekregen de stad te verlaten. Het stadsbestuur besloot de kinderen onder toezicht te stellen van Jan Neurenburgh, tot een betere oplossing zou zijn gevonden. In oktober 1765 kregen de heren Schout en Schepenen een schrijven van Hendrik uit Amsterdam. Daarin gaf hij de redenen op, waarom hij zijn kinderen had achtergelaten. Hij opperde ook daarover te publiceren in kranten, zodat hij niet als slechte vader zou worden aangemerkt. De kinderen waren toen al opgenomen in het Burger Weeshuis. Voor drie van de zes was sprake van betaling. Of er ook iets bij was van vader Hendrik? Na de brief uit Amsterdam werd niets meer van hem vernomen, waar nog melding van werd gemaakt, of van bewaard is gebleven.
Twee jaar later vertrok Hendrik naar de colonie Berbice...

Op 28 augustus 1765 werd in het weeshuis een bijzondere vergadering gehouden om het verzoek tot plaatsing van Hendrik Peijpers' kinderen te bespreken. Dat verzoek was door de stadsbestuurders gedaan aan Doctor Aldert Walraven, regent van het weeshuis. Het verzoek behelsde drie van de zes kinderen op te nemen zonder enige vergoeding. En geld om zondermeer ongealimenteerde kinderen op te nemen, was er natuurlijk niet of nauwelijks. Sinds 1675 was er echter wel een      vaste bron van inkomsten gecreerd door de stadsbestuurders. Die bepaalden destijds dat het weeshuis het exclusieve recht kreeg op het timmeren van de doodskisten! Dat bracht veel commotie teweeg in de stad, maar het besluit werd niet herzien. En dus kon het weeshuis de jonge jongens inzetten om die kisten in elkaar te zetten. Het zal reden geweest zijn, waarom voor de opname van de jongens Willem, Theo en Hendrick Peijpers geen dicussie nodig was. Voor de meisjes en voor het jongste jongetje Samuel lag het anders. Hoe of wat dan ook, op 31 augustus 1765 zijn alle zes kinderen Peijpers in het weeshuis opgenomen.
Het betrof: Maria van -bijna- 12, Robbertina van 10, Willem van 9, Theo van 7, Hendrick van 5 en Samuel van 4.

In het archief van het 'Gereformeerd Burgerlijk Weeshuis' werd een behoorlijke administratie gevoerd en dus kon er over de kinderen wel e.e.a. gevonden worden. Zo werd er jaarlijks een post "alimentatie bij het Geefhuijs" van 60 gulden geboekt en dan nog "Diaconie" 30 gulden. De bedragen werden doorgaans genoteerd als betaling voor Maria, Robbertina en Samuel.

Vader Hendrik hoopte dat de kinderen naast elementaire zorg ook onderwijs zouden krijgen. Of hij daarmee 'een vak leren' bedoelde? Kerkelijk onderwijs kregen ze in ieder geval wel, want uiteindelijk deden ze -op n na- allemaal belijdenis. Daarnaast werden ze op zeer jonge leeftijd al 'uitbesteed'. Zo is Maria op zeker moment gaan dienen bij Blisting "in den Goude Leeuw". Een datum/jaartal stond er niet bij in de stukken van het Weeshuisarchief. Van Robbertina werd geen activiteit genoteerd, maar van de jongens wel. Oudste broer Willem ging 'om te probere' op 10 maart 1766 naar Louwtermans. Hij werd 'besteld' voor drie jaren, per 22 maart 1766, voor 4 gulden per jaar. Voor hem werd over 1767 en 1768 voldaan. Theodorus (mogelijk Dirk genoemd) werd op 25-10-1766 bij baas Jan Lion 'op 't schoenmaken' besteld voor de duur van drie jaren. Hij kreeg zogenaamd speelgeld (zakgeld) en wel n stuiver. Hoelang hij in dat vak, of in een ander werkzaam was, werd niet gevonden. Wel dat hij op 25-04-1772 overleed. Hij was veertien en dus degene, die niet aan zijn geloofsbelijdenis toekwam. Dan Hendrick (jr). Hij werd per 17 mei 1773 besteld bij Kolf of Kolft  'op 't lintwerk' en dat voor drie jaren. Voor hem werd 8 gulden per jaar betaald en hij kreeg twee stuivers speelgeld. Op 1 juni 1777 werd hij voor drie jaren in dienst genomen door baas Hubert. Wat die voor ambacht had, bleek niet uit de stukken. Vrijwel alle kinderen zijn dus wel geschoold in iets, of kregen de kans iets te leren. In sommige gevallen betekende het ook, dat ze buiten het weeshuis verbleven. Dat Theo het niet redde, moet voor de zussen en broers wel 'impact' hebben gehad. Maar 'wat en hoe' kon uit de summiere registraties van feiten niet worden opgemaakt. Over het vervaardigen van doodskisten door de kinderen Peijpers werd overigens niets gevonden. Uitsluiten dat het kistje voor Theo door een broer(tje) werd getimmerd, kan echter niet.

En wat dan met betrekking tot de jongste? Samuel werd in 1769/1770 besteld 'op het schoenmaken' bij Arnoldus van Erp. Een jochie van acht negen jaar... Geen vermelding van het aantal jaren in de leer, noch iets over betaling of speelgeld. Per 15-11-1773 werd hij voor twee jaar in de leer gedaan bij Liboij 'op 't knoopmaken'. Kennelijk was dat ook niet wat hij kon of wilde (voorzover hij iets in te brengen had), want per 06-12-1780 ging hij voor twee jaren naar baas Van de Ven en dat was een schrijnwerker...

stadswapen

's-Hertogenbosch

Of en zoja he er contact was met vader Hendrik tijdens de weeshuisjaren van de kinderen, is niet uit archiefstukken gebleken. Evenmin wat ze wel of niet wisten van hun overige familieleden. Toen ze het weeshuis ingingen, was dat slechts een klein groepje!
Moeder was enig kind geweest. Haar vader, Robbert Buschman, overleed toen ze bijna een half jaar oud was. Haar moeder, Helena Borduur, verging het niet echt goed, want ze werd in 1753 opgenomen in het "Reinier van Arkel Sinnelooshuijs". Dat was een gesticht voor krankzinnigen. Ze verbleef daar slechts enkele maanden, maar werd daarna nog wel een jaar onder curatele gesteld van schoonzoon Hendrik Peijpers. Een maand voordat de kinderen in het weeshuis werden opgenomen, vertrok ze naar Sint Oedenrode. Van moederskant was er dus slechts een geestelijk niet stabiele oma.
Vader kwam uit een wat groter gezin. Zjn vader, dominee Wilhelmus Peijpers, was in 1748 overleden. Zijn moeder, Maria Neomagus, leefde nog, maar was al bijna zeventig. Van hun negen kinderen werden er slechts vijf volwassen. En daarvan (Emilia) was geestelijk onvolwaardig en werd, na de dood van haar vader, in het "Reinier van Arkel" opgenomen. Ze overleed er in 1752.
Vader Hendrik had in 1765 nog een oudere broer Jan, die al in of vr 1742 naar Orsoy (D) was vertrokken en er -getrouwd met een nicht Peijpers- een winkel dreef. Verder waren er twee jongere zussen, Catharina en Johanna. De zussen verhuisden in 1751 van Eersel naar 's-Hertogenbosch. Catharina verkaste in 1761 naar Geffen en vervolgens in 1764 naar Oss, trouwde daar in dat jaar en kreeg er twee kinderen. Johanna, in 1766 ook naar Oss verhuisd, bleef ongehuwd. Zij reisde in 1777 (na het overlijden van oudste broer Jan) voor korte tijd naar nicht en schoonzus Maria Margaretha Peijpers in Orsoy.
Voorzover mogelijk werd gespeurd naar bewijs van contact met en/of zorg voor Hendriks kinderen. Dat leverde geen enkel resultaat op. Ook helemaal niets met betrekking tot Johannes Bernardus, van wie slechts de doopinschrijving werd gevonden.
Resum: in augustus 1765 hadden de kinderen hun twee oma's nog (die kennelijk geen enkele directe zorg konden bieden), een oom en tante in Orsoy bij Duisburg, dus 'ver weg', een tante en oom in Oss, die net een kind hadden gekregen en een ongehuwde tante, die (toen) nog in de stad Den Bosch woonde...

Eenmaal volwassen vertrokken de kinderen n voor n uit het weeshuis. Dankzij de lidmatenregisters was er wel iets van hun gangen na te gaan.

Ongetwijfeld heeft Samuel geweten dat zijn oudste zus en twee oudere broers al in Rotterdam verbleven. Dat zus Robbertina een andere kant was uitgegaan, zal hem ook bekend geweest zijn. Buiten zijn eigen vier zussen en broers waren er inmiddels vrijwel geen familieleden meer over. De oma's waren overleden in 1768 en 1779. De vrouw van oom Jan in Orsoy leefde ook niet meer. Ze stierf er medio november 1781. Een goede maand later had zus Robbertina alles van tante Maria Margaretha Peijpers gerfd. Wel moest ze zorgdragen voor enkele legaten. De winkel in Orsoy was al, of werd ongetwijfeld opgedoekt, want enkele maanden later trouwde Naatje met koopman Gerhard Wilhelm Knipscheer. In de week dat Samuel uit 's-Hertogenbosch vertrok, beviel ze van haar eerste kind.
Alleen vaders jongste twee zussen leefden nog. Tante Catharina met man en twee kinderen en ook tante Johanna. Die woonden allemaal in Oss. Maar daar ging Samuel dus niet naartoe (althans niet op papier). Het werd Rotterdam. Daar werd echter geen enkel spoor van hem gevonden. Elders trouwens evenmin...

stadswapen Rotterdam

Hypothesen:

Wat wilde en kon Samuel allemaal toen hij in Rotterdam aankwam? Als hij daar inderdaad arriveerde, zal hij naar zijn zus en broers zijn gegaan.
Zus Maria was er in 1780 wel (als lidmate) aangekomen, maar ze liet geen -geschreven- sporen achter. Vermoedelijk werkte ze als dienstmeid, of in 'de horeca'.
Broer Willem (eveneens als lidmaat ingeschreven) was of werd wat later kantoorbediende. Wellicht bij een notaris, want er zijn een aantal notarile akten met betrekking tot nalatenschappen, waarin hij als gemachtigde te boek werd gesteld.
Broer Hendrick (ook als lidmaat ingeboekt) was ter plaatse als knecht aan de slag gegaan. Hij werkte bij de heer Franois Overschie, 'koopman en oud schepen van den Hove en de Hoge Vierschaar van Schieland', die in februari 1784 echter overleed.

Misschien is Samuel aanvankelijk ook wel aan de slag gegaan in Rotterdam, als ambachtsman, of als knecht van deze of gene...
Toen ik (heel lang geleden) echter in het Haags Notarieel Archief een akte uit 1806 vond waarin een 'schipper Peijpers' werd genoemd, bedacht ik dat Samuel mogelijk in dienst was gegaan bij de familie Knipscheer. Die familie voer van Rotterdam naar het Nederrijnse (ook naar Orsoy!) en terug uiteraard. En Samuel had een zus die met een lid van die familie was getrouwd. Verder onderzoek vanuit die gedachtengang leverde echter helemaal niets op. Ook werd gekeken naar -met name- overlijdens in diverse plaatsen langs de Rijn, maar nee...

Pas vele jaren later, toen de terugkomst van vader Hendrik Peijpers uit Berbice werd gevonden, heb ik 'en passant' een vermelding gezien betreffende een Jan Pijpers, die -naar ik meen in 1788- naar de kolonie Berbice was vertrokken, vermoedelijk als soldaat. Destijds was ik volledig geconcentreerd op Hendrik en zeker niet op zijn kinderen, wetend dat die in het weeshuis waren ondergebracht. Vier dikke boeken vol met niet geheel chronologisch geschikte documenten heb ik (samen met mijn neef Chris) doorzocht. We vonden het nodige over Hendrik, waaronder zijn terugkeer uit de West in 1789. Te boek als enige passagier op een schip dat met veel lading terugvoer naar Texel.
Van die Jan Pijpers heb ik geen notitie gemaakt. Pas later had ik daar spijt van en toen ik enige tijd terug nog eens in die boeken ben gaan kijken, kon ik hem niet meer vinden!

Kaart van de kolonie Berbice uit 1763 door Ottens

Inmiddels had bij mij namelijk de optie postgevat, dat Samuel weleens op zoek gegaan zou kunnen zijn naar zijn vader! Dat die in Berbice verbleef, zal bekend geweest, of geworden zijn. Zeer wel mogelijk heeft hij enige tijd nodig gehad om te informeren naar het hoe en het wat van zo'n reis naar de West. Geld zal hij er niet voor gehad hebben en als je 'tekende' kreeg je geld toe. Hij zou dus best (net als zijn vader) een verbintenis kunnen zijn aangegaan. En dat een klerk of schrijver hem dan inschreef als Jan Pijpers in plaats van Jan Samuel Peijpers, ach, dat soort zaken gebeurde nu eenmaal.
Helaas werd (nog) niets gevonden over recrutering voor de West-Indische Compagnie, of iets over een kamp voor lieden met de bestemming Berbice.    

Als Samuel inderdaad naar Berbice is gegaan, dan heeft hij zijn vader vast wel gevonden. Misschien haalde hij hem ook wel over om terug te keren naar de Nederlanden. Zelf moest hij normaliter natuurlijk wel zijn contract uitdienen. Vader Hendrik is hoogstwaarschijnlijk eerst van Texel naar Rotterdam gegaan en vervolgens (vast mt dochter Maria) naar Orsoy en/of Kalkar, om in ieder geval ook dochter Robbertina terug te zien. Vader bleef bij Robbertina en gezin wonen. Mogelijk eerst nog even in Orsoy, maar kort daarop in Kalkar. Maria ontmoette er een zwager Knipscheer van zusje Robbertina en trouwde met hem te Kalkar in 1792. Ze was toen al ruim achtendertig. In april 1793 werd te Orsoy een zoontje geboren, dat de namen Johann (zijn vader) Henrich (haar vader) Samuel (haar broertje!) kreeg. Het jochie werd nog geen drie jaar oud en dus ging de naam Samuel niet 'door' in de familie.

Juist de vernoeming naar Samuel deed het gevoel ontstaan, dat het een dankbaarheidsgebaar betrof, omdat Maria door zijn toedoen naar Orsoy reisde en daar haar latere ega trof. Misschien ook, omdat Samuel alles had ondernomen om vader op te sporen. En dan kan nog reden geweest zijn, dat Samuel inmiddels was overleden, wellicht in Berbice. Om alle redenen bij elkaar kan het natuurlijk ook geweest zijn. Theorie en een gevoel, maar zonder bewijs!
Samuel kan net zo goed heel iets anders zijn gaan doen, of was toch schipper en overleed ergens in een plaats, waar nog niet gezocht is.

En zo is het verhaal over Jan Samuel Peijpers, waar weinig feitelijks over te vinden was, nog knap uitgebreid geworden...


Beja S. Peijpers     -    Eindhoven, november 2010.


Bronnen:

terug naar genealogie